Raad voor de Journalistiek

De Raad voor de Journalistiek is een onafhankelijke instelling voor zelfregulering van de media.

Bijna dertig procent klachten minnelijk geregeld

Bijna dertig procent van de klachten bij de Raad voor de Journalistiek wordt minnelijk geregeld. Dat aantal onderstreept het belang van de ombudsfunctie van de Raad.

Het systeem van minnelijke regelingen is minder bekend dan de klachtprocedure waarbij de Raad een uitspraak doet over ingediende klachten, omdat minnelijke regelingen niet bekendgemaakt worden en uitspraken wel. Uitspraken van de Raad worden gepubliceerd op de website van de Raad en door het betrokken medium, en ook in het tijdschrift in De Journalist van de Vlaamse Vereniging van Journalisten. Dat maakt ze zichtbaar en dat is ook de bedoeling. Maar wanneer iemand een klacht indient is de eerste opdracht niet om zo snel mogelijk tot een uitspraak te komen, wel om te streven naar een minnelijke regeling, waarbij de ombudsman optreedt als bemiddelaar.

Wie een klacht indient bij de Raad voor de Journalistiek, is op zijn minst zijn vertrouwen kwijt in de betrokken journalist of het betrokken medium. Meer nog dan een uitspraak van de Raad over de vraag of er een beroepsethische fout is gemaakt, kan een minnelijke regeling dat vertrouwen herstellen. Beide partijen hebben er baat bij.

Een minnelijke regeling betekent niet dat de journalist of hoofdredacteur tegen wie een klacht is ingediend per definitie een fout erkent. Soms gebeurt dat, maar even vaak ook niet. Of er sprake is van een beroepsethische fout blijft bij een minnelijke regeling per definitie in het midden. Partijen blijven daarover, ondanks een regeling, vaak van mening verschillen.

Minnelijke regelingen kunnen verschillende vormen aannemen. Soms besluit een klager na zijn eerste spontane verontwaardiging of emotionele opwelling dat zijn klacht toch zonder grond was. Soms biedt een journalist of hoofdredacteur excuses aan voor een fout, of drukt hij - ook al was er geen sprake van een fout - zijn begrip uit voor het leed dat zijn berichtgeving veroorzaakte. Er wordt ook wel eens afgesproken om een nieuw artikel te publiceren of uit te zenden met bijkomende informatie, of een interview af te nemen van de klager waarin die zijn standpunt kan verduidelijken of een weerwoord geven. Het gaat met andere woorden om dingen die ook wel eens rechtstreeks afgesproken worden tussen klagers en redacties, maar dan via bemiddeling door de ombudsman.

Zo wordt in verband met internetartikels soms afgesproken om die artikels te anonimiseren of te de-indexeren, en dat op basis van het zogenaamde ‘recht op vergetelheid’. De-indexering maakt de artikels niet langer vindbaar via Google of andere zoekmachines, maar ze blijven wel online en het archief van het betrokken medium blijft onaangetast. Het kan klagers geruststellen.

Deze voorbeelden zijn maar een greep uit de minnelijke regelingen die de afgelopen twaalf jaar gesloten zijn via bemiddeling van de ombudsman, maar er is daarbij één constante. Minnelijke regelingen draaien nooit om geld. Net zoals de Raad voor de Journalistiek geen schadevergoedingen toekent of boetes oplegt, praat de ombudsman niet over financiële regelingen. Klagers en media die toch over een financiële regeling willen praten, doen dat los van de ombudsman en de Raad, en wanneer ze een akkoord bereiken, zetten ze in onderling akkoord hun procedure voor de Raad stop.

Minnelijke regelingen zijn geen gemarchandeer, financieel noch inhoudelijk. Als de partijen het op basis van argumenten en wederzijds begrip niet eens raken over een regeling, wordt de klachtprocedure gewoon voortgezet met het oog op een uitspraak door de Raad.

Minnelijke regelingen voor de Raad zijn dus inhoudelijk van aard. Vandaar dat het soms al volstaat dat partijen hun standpunt kenbaar kunnen maken, waardoor ze elkaar beter begrijpen. Zo waren er afgelopen zomer vier zaken waarbij geen minnelijke regeling mogelijk bleek en de klachtprocedure werd voortgezet met een hoorzitting. Normaal gezien is een hoorzitting de laatste rechte lijn naar een uitspraak door de Raad, beide partijen kunnen er een laatste keer hun standpunt mondeling toelichten. Maar in de vier gevallen kwam tijdens de hoorzitting nog een minnelijke regeling uit de bus. Zulke regelingen verschillen meestal niet van de hoger beschreven voorbeelden, maar het komt ook voor dat partijen gewoon tevreden zijn dat ze hun standpunt – hoe uiteenlopend ook – omstandig en face to face tegenover elkaar hebben kunnen verduidelijken, om vervolgens de zaak  af te sluiten.

Anders dan uitspraken van de Raad voor de Journalistiek, worden minnelijke regelingen niet gepubliceerd. Ze hoeven geen openbaarheid, tenzij partijen dat expliciet overeenkomen. Dat was bijvoorbeeld het geval met de minnelijke regeling over het busongeval in Sierre, waarbij de ouders van de slachtoffers en de hoofdredacties van de twee betrokken kranten overeenkwamen om de tekst van de regeling te publiceren. Maar normaal gezien is er geen publicatie, precies omdat een minnelijke regeling een overeenkomst is tussen twee partijen, weliswaar via bemiddeling van de ombudsman.

Buitenlandse persraden kijken met enige afgunst naar de traditie van minnelijke regelingen van de Raad voor de Journalistiek. Waar bij de Raad de afgelopen twaalf jaar negenentwintig procent van de klachten werden afgesloten met een minnelijke regeling, lijkt dat in het buitenland veel minder het geval te zijn.