MAVEK en vzw Mensenrechten in de kerk / Otheo

Titel artikel: Advocaat Paul Quirynen in open brief: ‘Waarom de Kerk blijven beladen met alle zonden van Israël?’

Samenvatting uitspraak: De betwiste publicatie is geen feitelijke berichtgeving, maar een opiniestuk van zes mensen die het opnemen voor de kerk tegen het beeld dat geschetst wordt in de televisiedocumentaire Brief aan de paus. De briefschrijvers vinden dat de indruk gewekt wordt dat de kerk zo goed als niets gedaan heeft voor slachtoffers van seksueel misbruik door geestelijken en sommen de inspanningen op die de kerk volgens hen wel gedaan heeft. Het opiniestuk is gepubliceerd in de vorm van een open brief en wordt in de titel ook zo benoemd. 
De briefschrijvers verwijzen in de opiniebijdrage naar het standpunt van “bepaalde advocaten en slachtoffers” en vragen zich af “Waarom de Kerk blijven beladen met alle zonden van Israël?”. De Raad kan daarbij niet uitmaken dat het over de slachtofferorganisaties MAVEK en vzw Mensenrechten in de kerk gaat, en ziet dus ook geen rechtstreekse aanval op die organisaties. De Raad stelt in die formuleringen ook niet vast dat er ernstige beschuldigingen uitgebracht worden die de eer en goede naam betreffen en die nopen tot wederhoor, zoals artikel 20 van de Code voorschrijft.
Klagers tonen niet aan welke feitelijke onjuistheden er in de open brief staan en welke informatie bijgevolg rechtgezet of aangevuld zou moeten worden. Het was in deze dan ook niet nodig om de tekst van klagers als wederwoord te publiceren, zoals bepaald in artikel 7 van de Code. 
De Raad stelt vast dat de tekst van klagers ook tot het genre van de opiniebijdrage behoort. Volgens artikel 14 van de Code beslissen redacties in alle onafhankelijkheid welke opiniebijdragen ze publiceren. Het staat hen vrij om de ene tekst wel te publiceren en de andere niet. Bijgevolg kan de ene redactie beslissen om het opiniestuk met de tegenstem van klagers wel te publiceren, zoals De Morgen, terwijl de andere redactie de tegenstem niet publiceert, zoals Otheo.be. De Raad ziet daarin geen beroepsethische fout.
 

2026-22

Lees de uitspraak [pdf]