De raad voor de journalistiek is een onafhankelijke instelling voor de behandeling van vragen en klachten over de journalistieke beroepspraktijk. De raad voor de journalistiek is een initiatief van de Vlaamse journalistenverenigingen, uitgevers en mediahuizen en is bedoeld als platform voor journalistieke zelfregulering. Journalistenverenigingen, uitgevers en mediahuizen hebben daarvoor samen een vereniging zonder winstoogmerk opgericht.
De raad voor de journalistiek bestaat uit achttien leden: zes journalisten, zes afgevaardigden van de uitgevers en de mediahuizen en zes externe leden. Er zijn ook achttien plaatsvervangers, die zitting hebben wanneer een effectief lid verhinderd is. De zittingen van de raad voor de journalistiek worden bijgewoond door de secretaris-generaal, die het permanente aanspreekpunt is van de Raad voor de Journalistiek.
Burgers kunnen bij de raad voor de journalistiek terecht met algemene vragen over de journalistieke beroepsethiek. Ze kunnen ook schriftelijk klacht indienen tegen een journalistieke handelwijze. In dit geval treedt de secretaris-generaal eerst op als ombudsman, en probeert hij een minnelijke regeling tot stand te brengen tussen de verzoeker en de betrokken journalist of het betrokken medium.
De raad voor de journalistiek doet een uitspraak over een journalistieke handelwijze en toetst die aan de regels van de beroepsethiek. Die regels zijn neergeschreven in een aantal ethische codes, zoals de Verklaring van de rechten en plichten van de journalist (1971) en de Code van journalistieke beginselen (1982). De raad voor de journalistiek geeft dus een opinie, en kan geen sancties opleggen of schadevergoeding toekennen. De Raad voor de Journalistiek kan wel aan een medium vragen om een rechtzetting te publiceren.
De verzoeker krijgt van de raad voor de journalistiek een gezaghebbend oordeel over de journalistieke handelwijze waarover hij klacht heeft ingediend. De raad voor de journalistiek wil daarmee de discussie over de journalistieke ethiek binnen het beroep stimuleren en het publiek vertrouwen geven in de geloofwaardigheid van de media.